Ds. René van der Rijst, 16 december 2018

Sefanja 3:1-8
Sefanja 3:14-20

Inleiding
De lezingen van vanmorgen vormen een soort tweeluik. Donker en licht. Onheil en heil.
Het gaat ook over twee steden: Ninevé en Jeruzalem.
Ninevé, de hoofdstad van het Assyrische rijk is de spreekwoordelijke plek des onheils. Ninevé is ‘de hel op aarde’. Jeruzalem is de plaats van het heil, vredesstad, de hemel op aarde.
Althans, dat zou Jeruzalem moeten zijn. Het is echter een soort ‘Ninevé’ geworden.
Alles waar die stad, ‘Ninevé’, voor staat, lijkt besmettelijk. Het lijkt gemakkelijker mee te gaan met het rumoer der volken, dan de vrede te zoeken. Gemakkelijker om geweld met geweld te beantwoorden, dan trouw te blijven aan God.
Als het in het eerste deel van de lezing gaat over ‘de stad’, dan is het nogal onduidelijk welke stad bedoeld wordt. Ninevé of Jeruzalem?
Dat is precies de vraag die Zefanja op wil roepen: wat voor stad zijn wij? Wat voor plek is dit? Is dit nog wel een plaats waar God kan wonen?
En welke kant gaat het uit? Zijn we op weg naar het licht, of naar de totale duisternis? Zijn we op weg naar God, of gaan we bij God vandaan? Op weg naar Ninevé, of op weg naar Jeruzalem?

Wie Zefanja precies was, weten we niet. Ergens in het duister van de tijd treedt hij naar voren. Een deel van Israël is in ballingschap weggevoerd naar datzelfde Ninevé. Jeruzalem is er nog, maar wordt van alle kanten bedreigd – van buiten door vijanden, van binnen door haar eigen machthebbers.
Zefanja is, zoals alle profeten, een ‘getuige van tegenspraak’. Tegendraads getuigt hij van God in een wereld die maar doorholt, van God niet wil weten. Of God te gemakkelijk voor haar eigen karretje spant.
Een ongemakkelijke God. Enerzijds zegt Zefanja dat God in ons midden is, rechtspreekt. Anderzijds dat God ‘volken uitroeit, torens vernielt, straten verwoest.’
Is God dan ook oorlogszuchtig? Gaat ook God met geweld te werk?
Het zijn van die woorden waar je over struikelt. Heeft God te maken met het geweld, dat ook vandaag nog woedt rond ‘Ninevé’ – een stad die lag in de buurt van wat nu Mosoel in Irak is.
Kunnen wij geloven in een woedende, gewelddadige God?
En waar gaat het met ons naartoe, met onze wereld? Heil of onheil? Licht of donker? Gaat het wat worden met die vrede waar wij van dromen?
Advent – ‘hij komt’. Maar wie komt er, wat gaat er komen?

Overweging

Sefanja 3:1-8
Dit is in de buurt van Ninevé, van Mosoel, vandaag. Mensen in de rij voor hulpgoederen. Lange tijd werd Mosoel beheerst door I.S.. Inmiddels zijn zij verslagen, maar de stad is een puinhoop.
‘Volken heb ik uitgeroeid, hun torens vernield, hun straten verwoest, hun steden vernietigd.’
Heeft God daarmee te maken? Heeft God iets van doen met onze oorlogen?
Wij kunnen dat, denk ik, moeilijk geloven. Maar hoe dan? Hoe is God dan betrokken op deze wereld? En wat voor God zou God zijn, als hij zich afzijdig hield, niets deed?
Of moeten we in de woorden van Zefanja vooral een oproep lezen om ons niet afzijdig te houden?
Het zijn ongemakkelijke vragen, die Zefanja stelt.
Liever geloven we in een goedaardige God, een ‘goedheiligman’. Liever schuiven we dat soort geweld in de schoenen van mensen.
Ik kan, ik wil niet geloven in een straffende, wrekende God. Een God van alle geweld. Een God die de oorzaak is van grote of kleine rampen. Ik wil niet geloven, dat God de hand heeft in de dood, in ziekte, in oorlogen.
Als ik naar deze foto kijk, dan denk ik: ‘daar is God’. Bij dat meisje, dat zich vastklampt aan haar moeder, het kind van de rekening. Ze kijkt ons niet aan, ze kijkt langs ons heen.
Wat ziet ze, vraag ik mij af. Ziet ze hulp komen, ziet ze een toekomst?
En ik – sta ik die toekomst in de weg? Maak ik, maken wij plaats voor haar? Willen we haar zien?
Of misschien heeft God iets van die moeder, aan wie zij zich vastklampt. Verborgen achter een sluier. Onherkenbaar aanwezig in deze wereld. Moederlijke God om je aan vast te klampen.
Ik stel me de onmacht van die mensen voor, hun wanhoop. Hun stad verwoest. Hun toekomst uiterst onzeker, afhankelijk van de hulp van anderen. Tegelijk laat die foto iets van orde zien. Mannen en vrouwen gescheiden, ze vormen keurige rijen. Er wordt niet gevochten om voedsel, ze dringen niet om vooraan te komen. Alsof ze dan toch iets van hun menselijkheid hebben kunnen bewaren, iets van gemeenschap, solidariteit.
‘De Heer is in haar midden, hij is rechtvaardig, hij doet geen onrecht.’

Misschien kunnen we die woorden over God die steden verwoest zo lezen, dat hij ruimte schept, ruimte schept voor mensen. Voor deze mensen. Ruimte voor recht, gerechtigheid.
Misschien moet er soms afgebroken worden, voor er kan worden opgebouwd. Moet alles op z’n kop worden gezet, voor het weer terecht kan komen. Er moeten soms lastige keuzes gemaakt worden, omdat je mensen niet aan hun lot over wilt laten.
Zouden deze mensen, toen ze nog in hun bezette stad woonden, hun leven niet zeker, niet gedroomd hebben van iemand die hen recht deed? Misschien is dat ook wat Zefanja droomt, ten einde raad, dat God zelf ingrijpt. Nieuwe ruimte schept, ruimte voor mensen – waar mensen waardig leven mogen en elk zijn naam in vrede draagt.

Sefanja 3:14-20
Ineens is het beeld verschoven. Dreigende, duistere tonen hebben plaatsgemaakt voor jubel. Leiders als ‘brullende leeuwen’, als ‘wolven in de avond’ hebben plaatsgemaakt voor God, de koning van Israël. Rondom God is een feest gaande. Bevrijdingsdag is gekomen. Het lot is ten goede gekeerd.
Zo stel ik mij haar voor, ‘Jonkvrouwe Sion’. 
Fier rechtop, haar belagers lijken terug te deinzen. Hoewel zij met velen zijn, zwaarbewapend en zij ongewapend is, lijkt zij hen de baas.
Het is een foto van een demonstratie in de V.S., georganiseerd door de beweging Black lives matter. Ook zwarte levens doen ertoe. De aanleiding is de dood van een zwarte man, die, hoewel ongewapend, door agenten is neergeschoten.
Ze straalt een enorme kracht uit, deze vrouw. Vrouwe Sion. De ‘vijand’ is nog niet verdreven, maar op een bepaalde manier staan ze in hun hemd. Wat ben je voor kerel, als je deze vrouw zo zwaarbewapend tegemoet treedt, haar in de boeien slaat. Het hoort niet.
En zij, zij doet niet anders dan laten zien, dat ze er is. Ze verstopt zich niet. Ze bewapent zich niet, vecht niet terug.
Zo zou Jeruzalem moeten zijn, spreekt Zefanja, een voorbeeldige stad, waar de vrede wordt geleerd. Een ruimte van recht en gerechtigheid.
Zo zou het moeten zijn, dat je je niet verstopt. Dat je laat zien: hier ben ik. Dat je opstaat.
Ze is alleen, deze vrouw. Alleen treedt ze de ‘macht’ tegemoet. Haast een profeet.
Ook in haar zie ik iets van God. De Ene. Weerloos in de handen van mensen. Maar juist daardoor begint er iets te veranderen, iets te schuiven. De ‘machten’ worden ontmaskerd. In dit geval hebben ze het recht niet aan hun zijde.
Ik zou me, als ik één van die politiemannen was, geschaamd hebben. Gedacht hebben ‘waar ben ik mee bezig?’
Is dat niet God – die ons vraagt ‘waar ben je mee bezig?’

Remco Campert dicht:
Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in z´n kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals liefde met een blik
een aanraking iets dat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen.

Is het God, die met alle geweld steden verwoest, volken uitroeit? Of gaat het geweld uiteindelijk aan zichzelf ten onder, doordat geweld geweld oproept? En alleen tot staan gebracht kan worden, als iemand zich verzet: niet naar de wapens grijpt, geen grote woorden gebruikt, maar alleen laat zien ‘hier ben ik’.
Zoals God zich telkens opnieuw aan ons opdringt, ons niet loslaat, ons vraagt ‘waar ben je?’