Ds. Wessel Westerveld, 7 april 2019

Mattheüs 26: 69-75 (Naardense Bijbel)

Inleiding
Simon Petrus.
Met Judas en Thomas wat mij betreft één van de meest spraakmakende leerlingen.
Zijn naam wordt maar liefst 23 keer genoemd door de evangelist Mattheüs – veruit het meest.
Ik zet ‘m even voor u neer – voordat we zo luisteren naar het misschien wel bekendste verhaal over hem,
van die haan…
Simon Petrus:
Zijn twee namen – het Hebreeuwse Simon en het Griekse Petrus – zijn veelzeggend:
Simon, afgeleid van het Hebreeuwse sjema – horen.
Hiermee wordt Simon gelinkt aan dé geloofsbelijdenis van Israël, Deuteronomium 6,4:
“Sjema Israel, adonai elohenu, adonai echád!”
Hoor, Israël, de Ene is onze God, de Ene alleen!
De God waar Simon voor gaat!
Simon – solid as a Rock – Petrus.
Want rots betekent zijn Griekse naam Petrus.
Vol passie, lef, vuur gaat hij voor de ENE en allen die zijn Naam waarmaken
– als Gods zonen en dochters.
En wat Petrus betreft is Jezus als geen ander een zoon van deze God:
“U bent de Gezalfde, de zoon van de levende God!” zegt Petrus.
Waarop Jezus zegt: “Jij bent een Petrus – een rotsman –
op jou zal ik mijn gemeente bouwen…”

Simon Petrus:
hij is het die het water trotseert als hij naar Jezus loopt –
en hij verzuipt dan weliswaar bijna, maar toch
– zijn lef en vertrouwen houden hem in de grootste nood en aanvechting het hoofd boven water.
Hij grijpt de uitgestrekte hand van Jezus
– m.a.w.: hij verliest ook als het water hem aan de lippen staat, zijn vertrouwen niet.

Simon Petrus –
in de beeldvorming de gepassioneerde, impulsieve ‘ruwe bolster blanke pit’-man,
met lef –
én ook laf – maar dan wel menselijk, herkenbaar, navoelbaar laf –
zoals in dat verhaal van vandaag.
Petrus komt ons daarin menselijk nabij,
zeker in het bittere wenen na het besef van zijn lafheid –
na het besef dat zijn lef hem heeft verlaten op het moment suprême…
en hij als het ware met ons het uitzingt: erbarme dich!,
zoals we na de lezing hebben gehoord…

Overweging
Petrus.
Het verhaal over hem in de laatste hoofdstukken van Mattheüs is prachtig gecomponeerd.
Ik wil u toch nog even meenemen door het verhaal.

Als Jezus in de hof van Getsémané na de kus van Judas
wordt overgeleverd aan de godsdienstige autoriteiten
vluchten alle leerlingen weg en laten Jezus achter.
En van de meesten horen we weinig meer – behalve van Petrus…
Want Petrus vlucht uiteindelijk niet;
Petrus keert terug naar Jezus –hij laat zijn vriend tóch niet in de steek.
Er staat in vers 58: “Petrus is Jezus van verre gevolgd tot aan de binnenhof (…) om te zien hoe het afloopt”.
Wat een lef!
Wat een trouw!

Petrus is hem gevolgd – hij volgt hem na… al is het van verre.
Van verre – ook omdat de lijdensweg van jezus – zoals in de kern elke lijdensweg – iets eenzaams heeft.
Nabijheid van verre…

In de binnenhof van het huis van de heiligdomsoverste zit hij daar dus al
en maakt de volgende scène van daar mee.
De scène waarin Jezus door de heiligdomsoverste wordt verhoord,
bespot,
gemarteld
en uiteindelijk weggevoerd.

En nu – en daar begint onze lezing – wordt weer teruggegrepen op Petrus:
hoe loopt het verder af met Petrus – die nu verre nabije trouwe vriend van Jezus – op die binnenplaats?
Verhaaltechnisch heeft Mattheüs het mooi gecomponeerd.
Cliffhanger Petrus in de binnenhof komt nu weer terug –
And in the mean time…let’s go back to Peter…

Petrus:
“buiten in de binnenhof” staat er.
Het is mooi gezegd – het klinkt naar zoiets als met-zonder-jas.
hoe zit het nou, buiten-binnen…of is het allebei?
Hij zit er zo dicht mogelijk bovenop,
in de binnenhof,
en tegelijkertijd is hij ‘buiten’…
Het paradoxale geeft iets weer van zijn immense verlangen om dicht bij Jezus te zijn,
en tegelijkertijd de onmogelijkheid daarvan…
Misschien kun je wel zeggen,
dat het hier gaat over de dynamiek van distantie en nabijheid,
die later nog tot een climax komt…

Buiten in de binnenhof…
Dan komt er één slavinnetje tot hem:
Ook jíj was met Jezus de Galileeër!
Direct speech tot Petrus.

Hoe zij dat weet?
Misschien dat het Galileeër zijn aan alle kanten van Petrus afdruipt –
of misschien dat Petrus nog iets uitstraalt van de messiaanse bezieling van zijn Grote Vriend,
we weten het niet…

Belangrijker is dát zij het weet en Petrus herkent als één van Jezus.
En dat belijdt – ook jíj was met Jezus de Galileeër!
Jij bent er eentje van Christus
Jij bent er eentje van het vertrouwen in God-onder-ons, het goede, het koninkrijk…
Misschien was dit slavinnetje wel heel verheugd om Petrus daar te zien
Als slavinnetje, toch één van de minsten onder de mensen,
waarvan Jezus in hoofdstuk 25 nog had gezegd, dat hij juist voor deze mensen komt,
herkent zij hier zijn rechterhand…zou het tóch nog goedkomen met de Jezus-beweging?

We weten niet, met welke intentie of op welke toon dit slavinnetje spreekt –
hoopvol of verwijtend.
We weten wel hoe Petrus het hoort.
Als een aanval.
Hij reageert wantrouwend, angstig, verdedigend.
Waar heb je ’t over…?!
Met deze vijandige reactie breekt Petrus de direct speech met deze vrouw af –
en het is gegaan zoals het is gegaan,
maar toch:
als het slavinnetje zegt: ook jíj was met Jezus de Galileeër!
zou dat dan niet ook als een bevestiging gehoord kunnen worden van waar hij voor staat en wie hij is?
Hé, ik word herkend,
gezien,
gezien in mijn passie om dicht bij God te zijn…
althans, dichtbij degene in wie ik God zie oplichten,
Jezus van Nazareth, de Messias…
Het is dus helemaal niet gezegd, dat het slavinnetje vijandig is naar Petrus…

Maar goed, Petrus vat de woorden van het slavinnetje ook jíj was met Jezus de Galileeër!
niet als compliment op,
vooral vanwege die toevoeging Galileeër,
waarmee in het Jeruzalem van die dagen mensen makkelijk worden weggezet als ‘minder, dommer, slechter, onopgevoeder’-  vul voor uzelf in plaats van Galileeër maar de landstreek of categorie in
die wat u betreft duidelijk van lager allooi zijn dan uzelf bent
en u heeft de juiste toon te pakken…
Dus ook al kán het slavinnetje het goed hebben bedoeld en verrukt zijn geweest,
Petrus is toch niet in staat in deze situatie het lef en het vertrouwen op te brengen
dat deze vrouw het goed met hem voorheeft,
– integendeel, hij staat op het punt te breken…

En dat proces wordt in een prachtig crescendo verteld.
Nu nog zegt Petrus: Ik weet niet wat jij zegt,
later zal hij gaan vloeken en zweren…

Als het klopt, dat een mens in bedreigende situaties een keuze maakt tussen freeze, flee en fight,
bevriezen, vluchten of vechten,
dan kiest Petrus nu voor de vlucht – vechtend, met vloeken en zweren, dat wel.
In het nauw gedreven gaat hij weg, naar buiten, naar de voorhof.
Hiermee wordt de loochening – het afstand nemen van – ook nog letterlijker waar.

De communicatie wordt direct óók minder – het gaat van ‘jij’ naar ‘hij’:
de stellingen worden betrokken.
Eerst nog direct speech,
jij was met Jezus,
nu is er een ander slavinnetje dat tegen de anderen zegt:
hé, hij was met Jezus…
En er wordt gewezen…
De omstanders, de erbij-staanders, de hang-arounds,
wie kent ze niet, van die mensen die er als haantjes als de kippen bij zijn…
zij worden erbij betrokken: Hé, mensen, moet je horen – hij daaro…

Was er eerst nog rechtstreeks contact tussen twee mensen, Petrus en die jonge slavin,
nu gaat het meer de kant op van een wij-zij en een potentieel relletje.
Petrus wordt zo nóg meer in het nauw gedreven – en weer loochent hij het.
Hij, ooit haantje-de-voorste, gepassioneerd,
hij die in Jezus Christus een glimp van God zelf  heeft gezien
– hij vlucht van Jezus weg.

En dan nemen de omstanders het woord – komt ‘de massa’ in beweging…altijd linke soep…
Zij weten het nog het zekerst van allemaal:
“Waarachtig! Ook jíj bent één van hen, want ook je praat maakt dat van je duidelijk!”
Dat kan slaan op hoe ‘ze’ praten, die Galileeërs, en ook op wat ze uitkramen, die Galileeërs…
Vast geen intelligent ABN-Haarlems spreken, die praat van Galileeërs, zal ik maar zeggen, snapt u…?

En zo is Petrus van Simon Petrus die bij Jezus was nu geworden tot eentje van hen
de generalisatie slaat toe…
Jij bent ook zo’n Galileeër, dus…

En Petrus?
Hij roept, schreeuwt het uit:
“Ik heb geen weet van die mens!”
Vloekend, zwerend…verzuchtend…
“Ik heb geen weet van die mens!”

Petrus, daar ben je dan…
In jouw verloochening van Christus
en je angst
misschien wel net zo eenzaam als Christus zelf…

Die haan, spiegel van jou – haantje, vol passie, strijdlust – nu lacht ‘ie je uit, of wekt ‘ie je op…?
Die haan ook, die Christus is – er komt een nieuwe dag…
De zon komt op, de haan schreeuwt het uit –
ja, je stopt je oren dicht, Petrus, je wilt het niet horen, je kunt het niet horen,
je hebt je losgescheurd van je naam Simon, sjema – hoor! –
nee, je kunt het niet,
het doet pijn,
de haan snijdt door je ziel,
anguish, zielenpijn,
want ja, je draagt schuld – schuld die jou verwijdert van het goede, van God, van Christus,
en tegelijkertijd brengt jouw schuld Christus zo dichtbij,
want hij wist het,
hij heeft het je gezegd –
zo ver weg is Christus en zo dicht bij…
Natuurlijk ween je nu bittere tranen –
Die ontroeren ons.
Zetten ons gemoed in beweging – Dank je wel!
Want jou tranen zijn onze tranen.
Jouw schuld is onze schuld.
Jouw verloochening is onze verloochening.
Jouw passie en wilskracht
en jouw onvermogen –
het zijn onze passie en wilskracht,
het is ons onvermogen…
Jij bent onze spiegel…
Wij zijn ook van die mensen zoals jij bent
– het breekt ons bij de vingers af als het goede wordt aangevochten,
als Christus wordt gemarteld,
wij ontkennen ook wat goed is en trouw als ons leven op het spel staat…of minder dan dat…
Maar die haan, Simon Petrus, hoor die haan…
Door merg en been!
Heraut van alledag van dat eerste woord van onze Schepper: er zij licht!

Het is hopeloos, maar het wil maar niet hopeloos worden…
Bittere tranen van vreugdevol verdriet…
Hoor, sjema, Simon!
Dank voor je gevecht buiten op de binnenhof,
Dank voor je verloochening, je schuld,
Dank je voor jouw tranen –
je trouw aan het goede,
je verdriet om het verkeerde.

Simon Rock-Solid Petrus –
dat wij een gemeenschap zijn van mensen als jij!

A Dieu!
Amen